Kansrekening, statistiek en wachtrijen
De tijd tot uitval van een apparaat volgt een exponentiële verdeling met een gemiddelde van 1000 uur. Neem e^(−0,5) ≈ 0,61, e^(−1) ≈ 0,37 en e^(−1,5) ≈ 0,22. Gegeven dat het apparaat 500 uur zonder storing heeft gewerkt, welke waarde ligt het dichtst bij de kans dat het nog minstens 1000 uur zonder storing blijft werken?
- A0,22
- B0,37
- C0,61
Antwoord en toelichting tonen
Antwoord: B. 0,37
De exponentiële verdeling is geheugenloos: de verdeling van de resterende tijd hangt niet af van hoeveel tijd er al is verstreken. De kans om na 500 uur nog minstens 1000 uur te werken, is daarom gelijk aan de kans dat een nieuw apparaat minstens 1000 uur werkt: e^(−1) ≈ 0,37. Als voorwaardelijke kans berekend geeft dit ook P(T > 1500) ÷ P(T > 500) = e^(−1,5) ÷ e^(−0,5) = e^(−1). Onderdelen in de periode van toevallige uitval, waarin de uitvalsnelheid constant is, worden dus niet gevoeliger voor uitval naarmate ze langer zijn gebruikt.
Verder: nog 9 vragen over Kansrekening, statistiek en wachtrijen