Basis van elektrische schakelingen en elektromagnetisme
Een spanningsbron V1 met een bronspanning van 10 V is via een weerstand R1 = 10 Ω verbonden met knooppunt A, een spanningsbron V2 met een bronspanning van 5 V via een weerstand R2 = 10 Ω met hetzelfde knooppunt A, en tussen knooppunt A en massa staat een weerstand R3 = 10 Ω. De minpolen van beide spanningsbronnen zijn met massa verbonden. Hoe groot is de spanning in knooppunt A?
- A7,5 V
- B5 V
- CCirca 3,3 V
Antwoord en toelichting tonen
Antwoord: B. 5 V
Met het superpositiebeginsel beschouwt men de spanningsbronnen één voor één (de andere spanningsbron wordt kortgesloten). Met alleen V1 vormen R2 en R3 parallel 5 Ω, zodat knooppunt A op 10 V × 5/(10 + 5) ≈ 3,33 V staat. Met alleen V2 is het evenzo 5 V × 5/(10 + 5) ≈ 1,67 V. Samen is dat 3,33 + 1,67 = 5 V, en door R3 loopt 5 V/10 Ω = 0,5 A. Het superpositiebeginsel geldt voor lineaire schakelingen en is niet rechtstreeks toe te passen op kwadratische grootheden zoals vermogen.
Verder: nog 9 vragen over Basis van elektrische schakelingen en elektromagnetisme