Basis van programmeren (pseudocode traceren)

De klasse Counter geeft elke instantie een eigen variabele count van het type integer (een lidvariabele, 0 bij het aanmaken), en haar methode inc() telt 1 op bij de eigen count. Wat is de waarde van x nadat het volgende programma is uitgevoerd?

Counter: c1 ← new Counter()
Counter: c2 ← new Counter()
c1.inc()
c1.inc()
c2.inc()
c1.inc()
integer: x ← c1.count × 10 + c2.count
  1. A13
  2. B31
  3. C44
Antwoord en toelichting tonen

Antwoord: B. 31

Bij objectgeoriënteerd programmeren maakt new Counter() elke keer een nieuwe instantie aan, dus c1 en c2 hebben elk hun eigen count. c1.inc() verhoogt alleen de count van c1, dus c1.count = 3 en c2.count = 1. x = 3 × 10 + 1 = 31. Elke instantie bewaart de waarden van haar eigen variabelen (de lidvariabelen) apart.

Dit onderwerp oefenen Naar de onderwerppagina

Meer vragen over Basis van programmeren (pseudocode traceren)

  1. De klasse Counter geeft elke instantie een eigen variabele count van het type integer (een lidvariabele, 0 bij het aanmaken), en haar methode inc() telt 1 op bij de eigen count. Een variabele van het type Counter bevat een verwijzing naar een instantie, niet de instantie zelf. Wat is de waarde van x nadat het volgende programma is uitgevoerd?
  2. In het volgende programma zijn twee toekenningen geschreven met de bedoeling de waarden van x en y te verwisselen. Welke waarden hebben x en y nadat het is uitgevoerd?
  3. Het volgende programma schuift waarden door over drie variabelen. Welke waarden hebben a, b en c nadat het is uitgevoerd?
  4. Het volgende programma vermenigvuldigt x herhaaldelijk met 3. Wat is de waarde van n nadat het is uitgevoerd?
  5. De volgende for-lus verhoogt i telkens met 2. Wat is de waarde van s nadat de lus is uitgevoerd?