Basis van elektrische schakelingen en elektromagnetisme

Over een ideale condensator wordt een sinusvormige wisselspanning aangelegd. Welke beschrijving van de faserelatie tussen de stroom en de spanning is juist?

  1. ADe stroom ijlt 90° na op de spanning
  2. BStroom en spanning zijn in fase
  3. CDe stroom ijlt 90° voor op de spanning
Antwoord en toelichting tonen

Antwoord: C. De stroom ijlt 90° voor op de spanning

De stroom door een condensator is i = C dv/dt, evenredig met hoe snel de spanning verandert. Bij de nuldoorgang verandert de spanning het snelst en is de stroom maximaal, dus de stroom ijlt 90° (een kwart periode) voor op de spanning. Bij een spoel (inductor) is het door v = L di/dt andersom: de stroom ijlt 90° na; bij een weerstand zijn ze in fase. Omdat spanning en stroom 90° verschoven zijn, neemt een ideale condensator gemiddeld over een periode geen vermogen op.

Dit onderwerp oefenen Naar de onderwerppagina

Meer vragen over Basis van elektrische schakelingen en elektromagnetisme

  1. Welke uitdrukking geeft in een wisselstroomkring met werkelijk vermogen P [W] en schijnbaar vermogen S [VA] de arbeidsfactor?
  2. Wat is de tijdconstante van een RC-schakeling met een weerstand R = 1 kΩ en een condensator C = 10 µF in serie?
  3. Via een weerstand R wordt een gelijkspanning E aangelegd op een ongeladen condensator. Welke beschrijving van de toestand van de condensator direct na het aanleggen is juist?
  4. Hoe verandert de grootte van de elektrostatische kracht (coulombkracht) tussen twee puntladingen in vacuüm als de afstand wordt verdubbeld zonder de ladingen te veranderen?
  5. Door een voldoende lange rechte geleider loopt een gelijkstroom. Welke beschrijving van de vorm en de richting van het magnetisch veld rond de geleider is juist?