Netwerkontwerp en -beheer
Bij OSPF heeft router R1 drie paden naar een netwerk achter R4. Pad A gebruikt een link van 10 Gbit/s R1–R5 en een link van 1 Gbit/s R5–R4; pad B is een rechtstreekse link van 100 Mbit/s R1–R4; en pad C gebruikt links van 1 Gbit/s R1–R2, R2–R3 en R3–R4. De kosten van elke link zijn „referentiebandbreedte 10 Gbit/s ÷ bandbreedte van de link”, en de kosten voorbij R4 zijn voor alle paden gelijk. Welk pad kiest R1?
- APad A
- BPad B
- CPad C
Antwoord en toelichting tonen
Antwoord: A. Pad A
De kosten zijn 10 ÷ 10 = 1 voor een link van 10 Gbit/s, 10 ÷ 1 = 10 voor 1 Gbit/s en 10 ÷ 0,1 = 100 voor 100 Mbit/s. Pad A kost 1 + 10 = 11, pad B 100 en pad C 10 × 3 = 30, dus pad A, met de laagste totale kosten, wordt gekozen. Blijft de referentiebandbreedte op 100 Mbit/s staan, lange tijd de standaardwaarde op veel apparatuur, dan kost elke link van 100 Mbit/s of sneller 1, wat pad A 2, pad B 1 en pad C 3 geeft, en wordt het traagste pad, B, gekozen. Netwerken met snelle links stellen de referentiebandbreedte daarom op een grotere waarde in, op elke router dezelfde.